Geen therapeut, geen wachtlijst, geen afspraak in de agenda. Digitale programma's zijn voor de meeste mensen het eerste waar ze naar grijpen als ze iets aan hun drinkgedrag willen doen. AlcoBalance is er een van: traceertools plus gedragstechnieken die je zelf doorwerkt. Maar wat hoort er nou eigenlijk in zo'n programma te zitten? Daar denk ik vaak over na. Een groep onderzoekers heeft die vraag net een stuk grondiger beantwoord dan ik ooit zou kunnen.
Wat ze deden
Veertien experts in één panel: gedragswetenschap, alcohol- en tabaksbehandeling, digitale interventies. Daarna twee ronden Delphi, een gestructureerd consensusproces. In ronde één beoordeelt iedereen onafhankelijk. In ronde twee zien de panelleden de groepsresultaten en mogen ze hun oordeel bijstellen.
Op tafel lagen 20 gedragsveranderingstechnieken (BCT's). Elke techniek ging langs de APEASE-criteria: aanvaardbaarheid, uitvoerbaarheid, effectiviteit, betaalbaarheid, veiligheid en gelijkheid. De drempel lag op 70%. Dus minstens 10 van de 14 panelleden moesten het eens zijn, en dan per criterium apart, niet bij elkaar opgeteld.
Eén randvoorwaarde bepaalde de rest: het moest gaan om een eenmalige, zelfgeleide digitale interventie. Geen therapeut die meekijkt. Geen vervolgafspraak.
Wat ze vonden
Zes technieken haalden elke drempel:
- Doelen stellen. Een concreet getal. Niet "ik wil minder drinken", maar "maximaal twee drankjes op vrijdag".
- Persoonlijk plan. Wanneer, hoe, en wat je doet in plaats van de gewoonte.
- Verminderstrategieën. Tactiek per situatie: wat doe je op een feestje, wat doe je op vrijdagavond na het werk. Dit is het niveau waarop een plan pas houdbaar wordt, want op het moment zelf heb je geen tijd om iets te bedenken.
- Feedback. Jouw cijfers naast jouw eigen doel. Niet naast een populatiegemiddelde.
- Herattributie. Opnieuw kijken naar wat de gewoonte echt triggert. "Ik drink om te ontspannen" en "ik drink automatisch als ik gespannen ben" zijn twee heel verschillende hefbomen.
- Voor- en nadelen. Gestructureerd afwegen wat verandering je kost en oplevert, in plaats van een vaag gevoel van "misschien moet ik eens...".
Een deel van de technieken kwam er half doorheen: wel consensus op sommige APEASE-criteria, niet op alle. Acht van de 20 vielen helemaal af voor een eenmalig, onbegeleid format. Sommige vragen herhaalde sessies, andere een clinicus die live meekijkt.
Wat het betekent
Herattributie is de lastigste van de zes. Vraag iemand wat zijn gewoonte in gang zet en het antwoord komt er zelden meteen uit. Angst? Verveling? Of gewoon een reflex die vastzit aan een bepaalde situatie? Zodra de trigger een naam heeft, heb je een hefboom. Zonder die stap zweeft elk actieplan: je weet wat je moet doen, alleen niet wanneer of waarom.
De twee planningstechnieken zijn niet voor niets gesplitst. Het persoonlijke plan zet de grote lijn neer, de verminderstrategieën vullen de situaties in: "als de groep nog een ronde bestelt, doe ik X." Zonder dat detail blijft een plan een voornemen.
Alle zes hebben één ding gemeen. Specificiteit. Feedback werkt omdat je jezelf naast je eigen doel legt en niet naast een groepsgemiddelde. Het plan en de tactieken zijn van jou, gebouwd rond jouw ritme in plaats van rond een standaard.
Dat is ook de logica achter AlcoBalance: tools waarmee je de aanpak op je eigen ritme afstemt en het volledige beeld ziet. Sturen doe je vanaf daar zelf.
Bron: JMIR Formative Research, DOI



